Een vraag die me eigenlijk niet bezig zou moeten houden, dringt zich ineens bij me op. En wat als je doodgaat?
Nee, ik doel hier niet op de grote vragen van het leven, of er leven is na de dood, of er hemel is of hel. Niet dat dergelijke vragen niet van belang zijn maar ik heb ze jaren geleden al voor mezelf beantwoordt zoals een ieder van ons zijn eigen antwoord op deze vragen gevonden heeft of vindt.
Nee, ik doel op een hele andere vraag: wat gebeurt er met mijn Linkedin, mijn Facebook, mijn Twitter, mijn Blog als ik overlijdt? En: hoe komen al mijn contacten erachter dat ik overleden ben? Heb jij je je die vraag al eens gesteld, en heb jij daar een antwoord op?
Sommige sociale netwerken zijn makkelijker dan anderen. Mijn Twitteraccount zal zwijgen na mijn laatste tweet: "Daar gaat Jurroen, hij zal nooit meer een tweetje doen". En ook deze blog zal langzaam uitsterven zonder dat iemand er veel van merkt. Maar de inmiddels overleden ik staat nog gewoon op Linkedin en op Facebook. En de inmiddels overleden ik zal ook nog steeds berichtjes krijgen, die echter niet meer beantwoord zullen worden.
Spelen uitvaartmaatschappijen hier al op in? Worden er naast de hardcopy overlijdenskaarten ook al digitale kaarten gestuurd naar de sociale netwerken? Het zal wel digitaal moeten, want van hoeveel contacten op Facebook en Linkedin heb je het fysieke huisadres nog? Een minderheid, misschien zelfs nog een fractie van het totaal schat ik. Maar als de nabestaanden de netwerken aan willen schrijven, moeten ze natuurlijk wel over de benodigde inloggegevens beschikken.
Hier ligt nog een schone taak voor de ontwikkelaars van social media: hoe om te gaan met het overlijden van de eigenaar van een profiel. Ik ben benieuwd wie daar als eerste op inspringt.
Translate
zondag 16 januari 2011
donderdag 13 januari 2011
De identiteit van een rekenmachine
Grafische (een beter woord is waarschijnlijk programmeerbare) rekenmachines zorgen bij ons in de opleiding regelmatig voor ophef. Aan de ene kant is er een stroming van collega's die van mening is dat moderne hulpmiddelen (ik ga hier even bewust voor bij aan de vraag of een dergelijke rekenmachine wel modern genoemd kan worden) gebruikt mogen - moeten - worden door studenten bij het maken van een tentamen. Aan de andere kant zijn er collega's die van mening zijn dat een dergelijk apparaat verboden moet worden, omdat het niet zozeer gebruikt wordt om te rekenen maar vooral om informatie in op te slaan die in het hoofd behoord te zitten en de programmeerbare rekenmachine niet zozeer gebruikt wordt om te rekenen, maar vooral als - min of meer gelegaliseerde - spiekmethode.
Als ik aan rekenmachines denk, moet ik altijd aan mijn eerste rekenmachine denken. Die ontving ik in de vijfde klas van de lagere school als beloning voor het feit dat ik nul fouten had in het (theoretische) verkeersexamen. Het merk weet ik niet meer, ik weet wel nog dat het ding een display had met rode cijfers. Ik nam het apparaat mee naar mijn opa, die me een verhaal vertelde van de eerste rekenmachine die hij zag: zo groot als een kamer, werkend op radiobuizen en tot veel minder in staat dan de "zakjapanner" die mijn trotse bezit was.
Een paar jaar later op de middelbare school kwam de tweede rekenmachine om de hoek kijken. Als ik me goed herinner een Casio FX80. Een wonderbaarlijk apparaat, waarmee veel meer kon dan met het eerste exemplaar. Logaritmes, goniometrie.... alles was kinderspel voor dit fantastische apparaat dat pas de geest gaf bij 2^334. Over deze Casio is volgens mij nooit beroering geweest al had ik een leraar scheikunde die vond dat je pas in de vijfde klas van het vwo het ding mocht gebruiken. Daarvoor moest je het maar met de hand toen.
De berekeningen die bij ons in de opleiding gemaakt moeten worden, zijn een uitzondering bij financiële rekenkunde en financiering daargelaten, in het algemeen kinderspel. Optellen en aftrekken, vermenigvuldigen en delen. Berekeningen die we op de lagere school met de hand en uit het hoofd hebben geleerd. Misschien komt er ergens nog een worteltje tevoorschijn, maar handmatig worteltrekken... ach met enige oefening kunnen we dat toch ook nog wel leren?
Eigenlijk is de hele discussie over een rekenmachine ook een discussie uit de vorige eeuw. Want een rekenmachine, wat is dat eigenlijk? Dat is een telefoon die niet kan bellen, waar je geen filmpjes op af kunt spelen en die ook al niet geschikt is om te mailen of een website te bezoeken. Wat mij betreft gaan we de rekenmachine dan ook als afgedankt verwijderen uit ons woordenboek. Als we hulpmiddelen willen gebruiken zijn er vele alternatieven die handiger en bruikbaarder zijn. En als we willen dat iemand iets zonder digitale hulpmiddelen kan, dan zijn pen en papier nog altijd voldoende om het hoofd te ondersteunen bij het wat complexere rekenwerk.
De rekenmachine in het onderwijs dient dan ook met onmiddellijke ingang te worden afgeschaft. En als we vinden dat worteltrekken of logaritmische berekeningen niet meer met pen en papier gedaan hoeven te worden, dan is er nog steeds een uitstekend alternatief: de rekenliniaal. Zoals het prachtexemplaar dat ik van mijn opa kreeg, als reactie op de rekenmachine. Een exemplaar ook dat me tijdens het centraal examen natuurkunde op het vwo redde toen mijn rekenmachine het begaf. Wisselen van rekenmachine was niet toegestaan maar ik kon wel verder werken met de lineaal die altijd in mijn etui zat. En alle berekeningen rolden er (soms met wat schattend geluk) correct uit. Zonder mijn Casio FX 80 haalde ik dankzij de rekenlineaal een 8,9 voor het centraal schriftelijk natuurkunde. Mijn hoogste cijfer ooit. Omdat het mijn verstand was die samen met de liniaal op eigen kracht de problemen te lijf ging.
Als ik aan rekenmachines denk, moet ik altijd aan mijn eerste rekenmachine denken. Die ontving ik in de vijfde klas van de lagere school als beloning voor het feit dat ik nul fouten had in het (theoretische) verkeersexamen. Het merk weet ik niet meer, ik weet wel nog dat het ding een display had met rode cijfers. Ik nam het apparaat mee naar mijn opa, die me een verhaal vertelde van de eerste rekenmachine die hij zag: zo groot als een kamer, werkend op radiobuizen en tot veel minder in staat dan de "zakjapanner" die mijn trotse bezit was.
Een paar jaar later op de middelbare school kwam de tweede rekenmachine om de hoek kijken. Als ik me goed herinner een Casio FX80. Een wonderbaarlijk apparaat, waarmee veel meer kon dan met het eerste exemplaar. Logaritmes, goniometrie.... alles was kinderspel voor dit fantastische apparaat dat pas de geest gaf bij 2^334. Over deze Casio is volgens mij nooit beroering geweest al had ik een leraar scheikunde die vond dat je pas in de vijfde klas van het vwo het ding mocht gebruiken. Daarvoor moest je het maar met de hand toen.
De berekeningen die bij ons in de opleiding gemaakt moeten worden, zijn een uitzondering bij financiële rekenkunde en financiering daargelaten, in het algemeen kinderspel. Optellen en aftrekken, vermenigvuldigen en delen. Berekeningen die we op de lagere school met de hand en uit het hoofd hebben geleerd. Misschien komt er ergens nog een worteltje tevoorschijn, maar handmatig worteltrekken... ach met enige oefening kunnen we dat toch ook nog wel leren?
Eigenlijk is de hele discussie over een rekenmachine ook een discussie uit de vorige eeuw. Want een rekenmachine, wat is dat eigenlijk? Dat is een telefoon die niet kan bellen, waar je geen filmpjes op af kunt spelen en die ook al niet geschikt is om te mailen of een website te bezoeken. Wat mij betreft gaan we de rekenmachine dan ook als afgedankt verwijderen uit ons woordenboek. Als we hulpmiddelen willen gebruiken zijn er vele alternatieven die handiger en bruikbaarder zijn. En als we willen dat iemand iets zonder digitale hulpmiddelen kan, dan zijn pen en papier nog altijd voldoende om het hoofd te ondersteunen bij het wat complexere rekenwerk.
De rekenmachine in het onderwijs dient dan ook met onmiddellijke ingang te worden afgeschaft. En als we vinden dat worteltrekken of logaritmische berekeningen niet meer met pen en papier gedaan hoeven te worden, dan is er nog steeds een uitstekend alternatief: de rekenliniaal. Zoals het prachtexemplaar dat ik van mijn opa kreeg, als reactie op de rekenmachine. Een exemplaar ook dat me tijdens het centraal examen natuurkunde op het vwo redde toen mijn rekenmachine het begaf. Wisselen van rekenmachine was niet toegestaan maar ik kon wel verder werken met de lineaal die altijd in mijn etui zat. En alle berekeningen rolden er (soms met wat schattend geluk) correct uit. Zonder mijn Casio FX 80 haalde ik dankzij de rekenlineaal een 8,9 voor het centraal schriftelijk natuurkunde. Mijn hoogste cijfer ooit. Omdat het mijn verstand was die samen met de liniaal op eigen kracht de problemen te lijf ging.
maandag 10 januari 2011
De identiteit van e-mail: spam spam spam spam
Een aantal jaren kon ik niet slapen als er ook maar één niet-afgehandeld mailtje in mijn inbox stond. Tijdens een coachingssessie - die gericht was op leidinggeven, niet op de wijze waarop ik met de mail omga - gaf mijn coach aan dat ik moest leren om een paar mails in mijn inbox te laten staan. Inmiddels lukt dat, al slaag ik er gelukkig wel in om het aantal openstaande mails nog steeds tot tien of minder te beperken. Althans, als ik de iphone uitzet, en dat is tegenwoordig vaak al voor middernacht.
E-mail moeten we met verstand gebruiken, konden we vandaag lezen op de website van het FD. Dat wisten we natuurlijk al, hoewel ik ergens het gevoel krijg dat we ons dat in 2011 ineens veel meer beseffen dan vorig jaar. Ik heb, steekproefgewijs, wat vergeleken en de eerste week van 2011 leverde veel minder mails op dan de eerste week van 2010 (niet dat ik al die inkomende mails bewaar, maar aangezien vrijwel elke mail tot een reply leidt, heb ik even mijn verzonden mails bekeken over beide periodes). Of komt dat simpelweg omdat een deel van het land de afgelopen week nog vakantie had? De komende weken zullen het leren.
Hoewel veel mensen e-mail nog als een prachtig en modern middel zien (en tegelijkertijd de functionaliteit van mailsoftware voor minder dan 1 % weten te gebruiken), is e-mail bijna aan zijn pensioen toe. Althans, de veertig dienstjaren worden dit jaar bereikt (zie de geschiedenis van de mail.) En veel mail is tegenwoordig te omschrijven als spam in verschillende varianten.
Allereerst is er natuurlijk de echte spam, maar die wordt door een beetje filter en tegenwoordig wel uitgehaald. Vervolgens krijgen we de spam van organisaties die toevallig over je mailadres beschikken omdat je er bijvoorbeeld iets besteld hebt. Meestal is deze spam eenvoudig uit te zetten, maar ja, het klikken op delete is toch net iets sneller dan de link aanklikken om je uit te schrijven voor de ongewenste nieuwsbrief of reclamemail.
Dan hebben we de "aan alle medewerkers-spam". Dit zijn berichten die aan alle medewerkers worden verstuurd, maar meestal slechts voor (hooguit) een klein deel interessant zijn. Deze interne spam is in veel organisaties een van de meest voorkomende spamvormen. Hij doorstaat vrijwel elke filter (tenzij je zelf een regel instelt in je mailprogramma) en is bovendien afkomstig van een mailadres dat je soms ook een heel belangrijke persoonlijke mail stuurt (waardoor je het mailadres in het algemeen niet zo maar kunt blokken). Deze "aan alle medewerkers-spam" is de mailvervanger van het aloude prikbord in die organisaties die merkwaardigerwijs nog steeds niet doorhebben dat digitale prikborden ook bestaan.
De volgende groep spam is de "CC-spam". Ook deze spam is relatief makkelijk met een regeltje te omzeilen en een tijd lang hardnekkig volhouden, leidt ertoe dat iedereen wel doorheeft dat CC-en geen zin meer heeft. En terecht. Want het CC-sturen van mail is meestal iets dat ze zender doet om de beoogd ontvanger te laten weten DAT hij of zij iets heeft gedaan en niet zozeer om de ontvanger te laten weten WAT hij of zij heeft gedaan.
Maar hiermee is het gespam nog niet afgelopen. Vervolgens lopen we tegen de zogenaamde "beleefdheidsspam" aan. Dat zijn de mailtjes met "Bedankt", of "Fijn dat je zo snel reageerde" etc. Op zich zijn deze mails meestal goed bedoeld, maar ze dragen weinig tot niets bij. Soms leiden ze wel tot superspam, als bijvoorbeeld de ontvanger van het bedanktspammetje reageert met "niets te danken".
Hoewel ik denk dat ik met bovenstaande soorten mails al meer dan de helft tot 90 procent van de mails ondervangen heb, is het gespam nog niet afgelopen.We kennen nog de "ik wil je even laten weten"-spam, de "even overleggen"-spam, de "ik weet het ook niet"-spam... en nog een hele riedel.
Een aantal jaren geleden had ik RSI en een paar weken lang kreeg iedere mailer een autoreply met die mededeling en het vriendelijke verzoek (omdat ik geen mail las) even binnen te lopen, te bellen of een notitie in mijn postvak te leggen. Minder dan vijf procent van deze autoreply's leidde tot een reactie (overigens is een autoreply tegenwoordig natuurlijk ook een vorm van spam, maar dat terzijde).
Mail heeft, naar mijn mening, zijn laatste tijd nu echt gehad. En Monty Python had dit goed gezien. Want hun spam-sketch was uit... inderdaad, 1970, een jaartje ouder dan de eerste mail.
E-mail moeten we met verstand gebruiken, konden we vandaag lezen op de website van het FD. Dat wisten we natuurlijk al, hoewel ik ergens het gevoel krijg dat we ons dat in 2011 ineens veel meer beseffen dan vorig jaar. Ik heb, steekproefgewijs, wat vergeleken en de eerste week van 2011 leverde veel minder mails op dan de eerste week van 2010 (niet dat ik al die inkomende mails bewaar, maar aangezien vrijwel elke mail tot een reply leidt, heb ik even mijn verzonden mails bekeken over beide periodes). Of komt dat simpelweg omdat een deel van het land de afgelopen week nog vakantie had? De komende weken zullen het leren.
Hoewel veel mensen e-mail nog als een prachtig en modern middel zien (en tegelijkertijd de functionaliteit van mailsoftware voor minder dan 1 % weten te gebruiken), is e-mail bijna aan zijn pensioen toe. Althans, de veertig dienstjaren worden dit jaar bereikt (zie de geschiedenis van de mail.) En veel mail is tegenwoordig te omschrijven als spam in verschillende varianten.
Allereerst is er natuurlijk de echte spam, maar die wordt door een beetje filter en tegenwoordig wel uitgehaald. Vervolgens krijgen we de spam van organisaties die toevallig over je mailadres beschikken omdat je er bijvoorbeeld iets besteld hebt. Meestal is deze spam eenvoudig uit te zetten, maar ja, het klikken op delete is toch net iets sneller dan de link aanklikken om je uit te schrijven voor de ongewenste nieuwsbrief of reclamemail.
Dan hebben we de "aan alle medewerkers-spam". Dit zijn berichten die aan alle medewerkers worden verstuurd, maar meestal slechts voor (hooguit) een klein deel interessant zijn. Deze interne spam is in veel organisaties een van de meest voorkomende spamvormen. Hij doorstaat vrijwel elke filter (tenzij je zelf een regel instelt in je mailprogramma) en is bovendien afkomstig van een mailadres dat je soms ook een heel belangrijke persoonlijke mail stuurt (waardoor je het mailadres in het algemeen niet zo maar kunt blokken). Deze "aan alle medewerkers-spam" is de mailvervanger van het aloude prikbord in die organisaties die merkwaardigerwijs nog steeds niet doorhebben dat digitale prikborden ook bestaan.
De volgende groep spam is de "CC-spam". Ook deze spam is relatief makkelijk met een regeltje te omzeilen en een tijd lang hardnekkig volhouden, leidt ertoe dat iedereen wel doorheeft dat CC-en geen zin meer heeft. En terecht. Want het CC-sturen van mail is meestal iets dat ze zender doet om de beoogd ontvanger te laten weten DAT hij of zij iets heeft gedaan en niet zozeer om de ontvanger te laten weten WAT hij of zij heeft gedaan.
Maar hiermee is het gespam nog niet afgelopen. Vervolgens lopen we tegen de zogenaamde "beleefdheidsspam" aan. Dat zijn de mailtjes met "Bedankt", of "Fijn dat je zo snel reageerde" etc. Op zich zijn deze mails meestal goed bedoeld, maar ze dragen weinig tot niets bij. Soms leiden ze wel tot superspam, als bijvoorbeeld de ontvanger van het bedanktspammetje reageert met "niets te danken".
Hoewel ik denk dat ik met bovenstaande soorten mails al meer dan de helft tot 90 procent van de mails ondervangen heb, is het gespam nog niet afgelopen.We kennen nog de "ik wil je even laten weten"-spam, de "even overleggen"-spam, de "ik weet het ook niet"-spam... en nog een hele riedel.
Een aantal jaren geleden had ik RSI en een paar weken lang kreeg iedere mailer een autoreply met die mededeling en het vriendelijke verzoek (omdat ik geen mail las) even binnen te lopen, te bellen of een notitie in mijn postvak te leggen. Minder dan vijf procent van deze autoreply's leidde tot een reactie (overigens is een autoreply tegenwoordig natuurlijk ook een vorm van spam, maar dat terzijde).
Mail heeft, naar mijn mening, zijn laatste tijd nu echt gehad. En Monty Python had dit goed gezien. Want hun spam-sketch was uit... inderdaad, 1970, een jaartje ouder dan de eerste mail.
dinsdag 28 december 2010
De identiteit van een schaatsfan oftwel ode aan TImmer
Ergens in de jaren negentig ging mijn broer in Heerenveen werken en wonen. Heerenveen, dat was en is het mekka van het schaatsen. De enige plaats in het land waar een zouttekort terecht is. En wonen en werken in Heerenveen betekende kaartjes voor Thialf, dat ik ergens in die jaren voor het eerst betrad.
Het schaatsen volg ik sinds 1980, maar toen nog als puber op de bank. Niet de Olympische spelen met Eric Heiden maar het wereldkampioenschap van Hilbert_van_der_Duim is mijn eerste herinnering. De heroïsche strijd in de sneeuw. Van der Duim, wiens rondje te weinig me altijd bijgebleven is, zittend op de bank, de rondetijden noterend. Schaatsen in de jaren '80, in de sneeuw en in mijn beleving was er elk WK weer een onbekende Rus die in de afsluitende 10 km toch nog de winst wist te pakken.
In Thialf staand werd het schaatsen pas echt een belevenis. De klapschaatsen op het ijs tikkend, de billen van Shimizu die net boven de boarding uitsteken. De ongelooflijke snelheid. Een aantal jaren lang was ik bij elke wedstrijd, worldcup, EK of WK in Thialf te vinden. Al werd het minder. Vooral toen ergens rond 2000 een jongen op gesponsord kaartje en met een Deloittemuts op zijn hoofd me op zondag tijdens de afsluitende vijf kilometer bij de dames vroeg: "Hoeveel ritten moeten die wijven nog". Het einde van het schaatsrespect.
Vandaag heeft Marianne Timmer haar afscheid aangekondigd. Van alle Nederlandse schaatsenrijders is zij degene waar ik (en ik denk velen met mij) het meeste plezier hebben beleefd. Allereerst omdat zij het onmogelijke deed: ze won dat wat ze volgens niemand ooit zou kunnen winnen. En dat deed ze in een stijl en met een klasse die zelden op het ijs te zien is geweest. Daar kwam bij dat Marianne altijd als zichzelf overkwam als ze weer eens door een journalist ondervraagd werd over een mislukte rit. Haar gelijk bewees ze tijdens die twee Olympische spelen, waar ze drie maal goud won en tijdens het WK van 2004 toen ze als eerste Nederlandse de WK sprint wist te winnen.
De mooiste overwinning is en blijft de 1500 meter in Nagano, de klassieke afstand die eigenlijk te lang voor haar was. Ik herinner me nog dat ik die race in de auto beleefd heb, poolend op weg naar school. Bij aankomt op de parkeerplaats was het bijna half negen, de lessen gingen beginnen. Maar we luisterden naar de laatste meters van de concurrentes om zeker te weten dat Marianne echt goud had. En hoewel ik ook met tranen in de ogen de gouden medaille van de Nederlandse volleyballers begroet heb, ben ik altijd van mening geweest dat HET sportmoment van de 20e eeuw toch niet het Olympisch volleybalgoud had moeten zijn, maar de gouden medaille van Marianne Timmer in 1998.
Marianne stopt. Op een manier die karakteristiek is voor haar. Een manier ook die past bij haar klasse en haar stijl. De stijl van de grootste schaatsenrijdster die we in dit land ooit hebben gehad. En alleen omdat ik de tijden van Ard en Keessie niet bewust heb meegemaakt, gebruik ik hier de vrouwelijke vorm. Maar in de dertig jaar dat ik het schaatsen volg, is zij voor mij de grootste Nederlander die ooit de ijzers in het ijs heeft gezet.
Het schaatsen volg ik sinds 1980, maar toen nog als puber op de bank. Niet de Olympische spelen met Eric Heiden maar het wereldkampioenschap van Hilbert_van_der_Duim is mijn eerste herinnering. De heroïsche strijd in de sneeuw. Van der Duim, wiens rondje te weinig me altijd bijgebleven is, zittend op de bank, de rondetijden noterend. Schaatsen in de jaren '80, in de sneeuw en in mijn beleving was er elk WK weer een onbekende Rus die in de afsluitende 10 km toch nog de winst wist te pakken.
In Thialf staand werd het schaatsen pas echt een belevenis. De klapschaatsen op het ijs tikkend, de billen van Shimizu die net boven de boarding uitsteken. De ongelooflijke snelheid. Een aantal jaren lang was ik bij elke wedstrijd, worldcup, EK of WK in Thialf te vinden. Al werd het minder. Vooral toen ergens rond 2000 een jongen op gesponsord kaartje en met een Deloittemuts op zijn hoofd me op zondag tijdens de afsluitende vijf kilometer bij de dames vroeg: "Hoeveel ritten moeten die wijven nog". Het einde van het schaatsrespect.
Vandaag heeft Marianne Timmer haar afscheid aangekondigd. Van alle Nederlandse schaatsenrijders is zij degene waar ik (en ik denk velen met mij) het meeste plezier hebben beleefd. Allereerst omdat zij het onmogelijke deed: ze won dat wat ze volgens niemand ooit zou kunnen winnen. En dat deed ze in een stijl en met een klasse die zelden op het ijs te zien is geweest. Daar kwam bij dat Marianne altijd als zichzelf overkwam als ze weer eens door een journalist ondervraagd werd over een mislukte rit. Haar gelijk bewees ze tijdens die twee Olympische spelen, waar ze drie maal goud won en tijdens het WK van 2004 toen ze als eerste Nederlandse de WK sprint wist te winnen.
De mooiste overwinning is en blijft de 1500 meter in Nagano, de klassieke afstand die eigenlijk te lang voor haar was. Ik herinner me nog dat ik die race in de auto beleefd heb, poolend op weg naar school. Bij aankomt op de parkeerplaats was het bijna half negen, de lessen gingen beginnen. Maar we luisterden naar de laatste meters van de concurrentes om zeker te weten dat Marianne echt goud had. En hoewel ik ook met tranen in de ogen de gouden medaille van de Nederlandse volleyballers begroet heb, ben ik altijd van mening geweest dat HET sportmoment van de 20e eeuw toch niet het Olympisch volleybalgoud had moeten zijn, maar de gouden medaille van Marianne Timmer in 1998.
Marianne stopt. Op een manier die karakteristiek is voor haar. Een manier ook die past bij haar klasse en haar stijl. De stijl van de grootste schaatsenrijdster die we in dit land ooit hebben gehad. En alleen omdat ik de tijden van Ard en Keessie niet bewust heb meegemaakt, gebruik ik hier de vrouwelijke vorm. Maar in de dertig jaar dat ik het schaatsen volg, is zij voor mij de grootste Nederlander die ooit de ijzers in het ijs heeft gezet.
woensdag 22 december 2010
De identiteit van de accountant
Ik heb geschiedenis gestudeerd. En nog steeds ken ik alle jaartallen. Alleen weet ik niet meer wat er gebeurde.
(De begrijpende lezer, dus degene die hier bewust terecht komt, kan deze alinea tussen haakjes overslaan. Maar voor de minder begripvolle lezer zal ik even tellen: 3 voor C, 2 voor C, 1 voor C, 1 na C. 2 na C, 3 na C.... De jaartallen kloppen, ik ken ze nog. En ja, het jaar 0 sla ik bewust over. Het jaar 0 bestaat niet. De 21e eeuw is dus in 2001 begonnen en over een ruime week begint het tweede decennium van de 21e eeuw; maar dat alles terzijde.)
Ik ken alle jaartallen, maar weet niet wat er gebeurde... Als de accountant die zegt: ik ken alle cijfers, maar weet niet meer wat ze betekenen. En zoals mijn identiteit als historicus aan erosie onderhevig is, lijkt dit ook voor de identiteit van de accountant te gelden.
Vroeger was, in elk geval voor mij, de identiteit van de accountant helder. De accountant was stoffig en saai. Om de een of andere reden, ben ik die stoffige en saaie accountant nog maar zelden tegenkomen. De meeste accountants die ik ken zijn stoffig noch saai, eerder dynamisch en interessant. Ligt dat aan de accountant in het algemeen of aan mij? Zijn accountants dynamisch en interessant of kom ik juist alleen die accountants tegen? Maar ook dit, terzijde. Want de accountant, stoffig of dynamisch, saai of interessant, bevindt zich in een identiteitscrisis. Althans, in mijn optiek.
Er zijn in dit land zo'n 20.000 accountants. Een hele hoop. En al die accountants zijn op zich bevoegd tot het uitvoeren van wettelijke controles op de jaarrekening. De meeste accountants doen echter wat anders en misschien mag ik wel zeggen wat zinvollers. Want het controleren van de jaarrekening is toch weinig meer dan toevoegen van zekerheid aan het verleden. Een soort historicus derhalve. Maar die controlebevoegdheid brengt wel heel wat regelgeving met zich mee. Regelgeving die in meer of mindere mate ook drukt op de accountants die andere dingen doen. Regelgeving waar iedereen die zich "accountant" wil noemen, mee te maken heeft.
Iedereen die zich "accountant wil noemen". Want dat is misschien wel hetgeen alle accountants in dit land het meeste bindt: dat ze zich accountant willen noemen. Het zijn niet de werkzaamheden maar de titel die de accountants binden. Ook in dat opzicht lijken accountants op historici. Er zijn vele historici in dit land maar slechts een zeer beperkt aantal voert daadwerkelijk een beroep uit waar de term "historicus" eigenlijk voor bedoeld is. Het grote verschil met de accountant is echter dat de gemiddelde historicus zich wellicht nog wel drs (of tegenwoordig master) wil noemen, maar het woord historicus zelden op zijn visitekaartje te vinden is. En daar is geen regelgeving voor nodig. De "accountant" wil echter graag accountant zijn, ook als hij dit - in de betekenis van wettelijk controleur - feitelijk niet is. De oorzaak hiervan is al vaak beschreven: het vermengen van opleidingstitel met beroepstitel. En dit stamt met name uit een tijd dat registeraccountants een zware (om niet te zeggen) zeer zware opleiding hadden genoten waar geen titel als drs of ir aan verbonden was.
Die accountant bevindt zich momenteel naar mijn mening in een identiteitscrisis. En dan niet eens een enkelvoudige maar eentje met meer dimensies dan de 10 of 11 dimensies die in de snaartheorie onderscheiden worden. Dimensies die bovendien heel verschillend van aard zijn: van de kritiek op de rol van de accountant bij schandalen en de economische crisis tot de grote discrepantie tussen opleidingseisen en werkzaamheden van de mkb-accountant, van de wettelijk controleur die als een historicus zekerheid aan het verleden geeft tot de "adviseur" die toekomstgericht naar de klant kijkt.Vraag tien accountants wat een accountant nu eigenlijk moet zijn, en je krijgt tien verschillende antwoorden.
Bestaat de accountant eigenlijk wel, anders dan in de gedachte van de accountant die zich accountant wil noemen? In mijn optiek is het antwoord op die vraag een volmondig NEEN. De accountant bestaat helemaal niet. Hij is als de nieuwe kleren van de keizer, of beter nog, als de ether nadat Michelson en Morley er niet in waren geslaagd om het bestaan ervan aan te tonen. En zoals het niet bestaan van de ether om de beginnershouding vroeg die Einstein als uitgangspositie nam voor zijn speciale relativiteitstheorie zo moeten we misschien ook een beginnershouding aannemen bij het beantwoorden van de vraag wat nu eigenlijk de identiteit van de accountant is. En die beginnershouding betekent dat we er van uit moeten gaan dat de accountant niet bestaat.
Als ik met die beginnershouding kijk naar de werkzaamheden die door accountants worden uitgevoerd, dan zie ik heel veel, bedrijfseconomisch georiënteerde zinvolle activiteiten. Van het voeren van de boekhouding tot het advies bij uitbreiding, van de fiscale aangiftes verzorgen tot een organisatieadvies. Van het begeleiden van de onderneming bij groei tot het ondersteunen bij overdracht of overname en zelfs bij liquidatie. En daarnaast zie ik enkele historici, die een oordeel geven over het verleden en zich daarbij hun vingers niet mogen branden aan de futurologie. Als ik vanuit die beginnershouding kijk, bestaan accountants net zo min als de ether.
En de wettelijk controleur? De wettelijk controleur is een historicus die zich in de traditie van Collingwood buigt over het verleden. En als we de wettelijk controleur accountant blijven noemen, dan is de accountant van de toekomst de historicus met voldoende kennis van bedrijfseconomie om de gedachten achter de jaarrekening in zijn eigen geest te heropvoeren. Een historicus, die toekomstgericht weinig of geen toegevoegde waarde oplevert. Want historici zijn wars van futurologie.
(De begrijpende lezer, dus degene die hier bewust terecht komt, kan deze alinea tussen haakjes overslaan. Maar voor de minder begripvolle lezer zal ik even tellen: 3 voor C, 2 voor C, 1 voor C, 1 na C. 2 na C, 3 na C.... De jaartallen kloppen, ik ken ze nog. En ja, het jaar 0 sla ik bewust over. Het jaar 0 bestaat niet. De 21e eeuw is dus in 2001 begonnen en over een ruime week begint het tweede decennium van de 21e eeuw; maar dat alles terzijde.)
Ik ken alle jaartallen, maar weet niet wat er gebeurde... Als de accountant die zegt: ik ken alle cijfers, maar weet niet meer wat ze betekenen. En zoals mijn identiteit als historicus aan erosie onderhevig is, lijkt dit ook voor de identiteit van de accountant te gelden.
Vroeger was, in elk geval voor mij, de identiteit van de accountant helder. De accountant was stoffig en saai. Om de een of andere reden, ben ik die stoffige en saaie accountant nog maar zelden tegenkomen. De meeste accountants die ik ken zijn stoffig noch saai, eerder dynamisch en interessant. Ligt dat aan de accountant in het algemeen of aan mij? Zijn accountants dynamisch en interessant of kom ik juist alleen die accountants tegen? Maar ook dit, terzijde. Want de accountant, stoffig of dynamisch, saai of interessant, bevindt zich in een identiteitscrisis. Althans, in mijn optiek.
Er zijn in dit land zo'n 20.000 accountants. Een hele hoop. En al die accountants zijn op zich bevoegd tot het uitvoeren van wettelijke controles op de jaarrekening. De meeste accountants doen echter wat anders en misschien mag ik wel zeggen wat zinvollers. Want het controleren van de jaarrekening is toch weinig meer dan toevoegen van zekerheid aan het verleden. Een soort historicus derhalve. Maar die controlebevoegdheid brengt wel heel wat regelgeving met zich mee. Regelgeving die in meer of mindere mate ook drukt op de accountants die andere dingen doen. Regelgeving waar iedereen die zich "accountant" wil noemen, mee te maken heeft.
Iedereen die zich "accountant wil noemen". Want dat is misschien wel hetgeen alle accountants in dit land het meeste bindt: dat ze zich accountant willen noemen. Het zijn niet de werkzaamheden maar de titel die de accountants binden. Ook in dat opzicht lijken accountants op historici. Er zijn vele historici in dit land maar slechts een zeer beperkt aantal voert daadwerkelijk een beroep uit waar de term "historicus" eigenlijk voor bedoeld is. Het grote verschil met de accountant is echter dat de gemiddelde historicus zich wellicht nog wel drs (of tegenwoordig master) wil noemen, maar het woord historicus zelden op zijn visitekaartje te vinden is. En daar is geen regelgeving voor nodig. De "accountant" wil echter graag accountant zijn, ook als hij dit - in de betekenis van wettelijk controleur - feitelijk niet is. De oorzaak hiervan is al vaak beschreven: het vermengen van opleidingstitel met beroepstitel. En dit stamt met name uit een tijd dat registeraccountants een zware (om niet te zeggen) zeer zware opleiding hadden genoten waar geen titel als drs of ir aan verbonden was.
Die accountant bevindt zich momenteel naar mijn mening in een identiteitscrisis. En dan niet eens een enkelvoudige maar eentje met meer dimensies dan de 10 of 11 dimensies die in de snaartheorie onderscheiden worden. Dimensies die bovendien heel verschillend van aard zijn: van de kritiek op de rol van de accountant bij schandalen en de economische crisis tot de grote discrepantie tussen opleidingseisen en werkzaamheden van de mkb-accountant, van de wettelijk controleur die als een historicus zekerheid aan het verleden geeft tot de "adviseur" die toekomstgericht naar de klant kijkt.Vraag tien accountants wat een accountant nu eigenlijk moet zijn, en je krijgt tien verschillende antwoorden.
Bestaat de accountant eigenlijk wel, anders dan in de gedachte van de accountant die zich accountant wil noemen? In mijn optiek is het antwoord op die vraag een volmondig NEEN. De accountant bestaat helemaal niet. Hij is als de nieuwe kleren van de keizer, of beter nog, als de ether nadat Michelson en Morley er niet in waren geslaagd om het bestaan ervan aan te tonen. En zoals het niet bestaan van de ether om de beginnershouding vroeg die Einstein als uitgangspositie nam voor zijn speciale relativiteitstheorie zo moeten we misschien ook een beginnershouding aannemen bij het beantwoorden van de vraag wat nu eigenlijk de identiteit van de accountant is. En die beginnershouding betekent dat we er van uit moeten gaan dat de accountant niet bestaat.
Als ik met die beginnershouding kijk naar de werkzaamheden die door accountants worden uitgevoerd, dan zie ik heel veel, bedrijfseconomisch georiënteerde zinvolle activiteiten. Van het voeren van de boekhouding tot het advies bij uitbreiding, van de fiscale aangiftes verzorgen tot een organisatieadvies. Van het begeleiden van de onderneming bij groei tot het ondersteunen bij overdracht of overname en zelfs bij liquidatie. En daarnaast zie ik enkele historici, die een oordeel geven over het verleden en zich daarbij hun vingers niet mogen branden aan de futurologie. Als ik vanuit die beginnershouding kijk, bestaan accountants net zo min als de ether.
En de wettelijk controleur? De wettelijk controleur is een historicus die zich in de traditie van Collingwood buigt over het verleden. En als we de wettelijk controleur accountant blijven noemen, dan is de accountant van de toekomst de historicus met voldoende kennis van bedrijfseconomie om de gedachten achter de jaarrekening in zijn eigen geest te heropvoeren. Een historicus, die toekomstgericht weinig of geen toegevoegde waarde oplevert. Want historici zijn wars van futurologie.
dinsdag 21 december 2010
De identiteit van de chatter
Vanaf ergens midden jaren '90 chat ik. Waar het begonnen is, weet ik niet meer precies. Maar ik herinner me in elk geval nog wel de Compuserve-omgeving, een besloten deel op het WWW, waar je met andere Compuserve-internetters in contact kon komen. Het waren bijzondere tijden. Via de chatmodules van Compuserve chatte ik met gebruikers uit de hele wereld. Anoniem, althans, dat dachten wij. Later kwamen allerlei andere omgevingen. Chatcity, dat was er ook zo een. Omgevingen waarbij je nog steeds de programmatuur moest downloaden. Het chatten via de (java-applicaties in de) browser moest nog uitgevonden worden. Later kwamen applicaties als ICQ. Dat was in het begin wel heel bijzonder, chatten via zo'n platform. Dan gaf je toch een stukje privacy op, dacht je. Het direct met elkaar contact leggen, kunnen zien of iemand online is... Als je dan iemand toevoegde was het toch zoiets als twee kinderen die elkaar voor een verjaardagsfeestje uitnodigen.
De chatapplicaties werden geavanceerder. MSN deed zijn intrede. En van zuiver vrijetijdsgebruik werd het contact via de chat ook steeds meer "niet-privé". Ik herinner me nog dat ik een jaar of vijf geleden een computerpracticum gaf. Een studente had MSN open staan. Ik maakte daar een opmerking over en toen kreeg ik als reactie: "Ja maar ik werk samen met x, zij zit thuis te werken aan onze opdracht en via MSN overleggen we met elkaar". Oops. Ik voelde me even heel erg oud. MSN-en over de studie...
Chatten doe ik nog steeds, zei het minder dan pak hem beet tien jaar geleden. En soms kom ik op bijvoorbeeld MSN nog eens iemand tegen waarvan ik, en hij of zij, denkt: wie is dat nu. Want de optie om notities op te slaan... die heb ik nooit gebruikt. Daarvoor is chatten voor mij altijd een te vluchtig medium geweest. Chatten, dat doe je voor een paar avonden, om iemand te leren kennen die je niet kent, en die je eigenlijk ook niet verder wilt leren kennen. Want om iemand echt te leren kennen, dan ga je de kroeg wel in (of sinds we kinderen hebben: samen met de kinderen naar de dierentuin). En dus ben ik de meeste chatcontacten al lang vergeten, zelfs die contacten waarmee ik soms avonden heb gechat over het leven, het werk, de toekomst van de aarde, het feit dat tijd niet bestaat, computers, kinderen en zelfs de liefde. Maar de contacten waren altijd vluchtig en verdwenen met de snelheid waarmee ze kwamen. Soms waren het er veel, gingen verhalen en beelden door elkaar lopen, vertelde ik drie keer hetzelfde verhaal en las ik even vaak hetzelfde.
Mieke heeft dat chatten heel lang overgeslagen. Maar sinds een paar maanden is zij volop bezig. Modern chatten, zou je zeggen. Maar Mieke heeft een hele handige truc bedacht: een schriftje. En tijdens het chatten schrijft ze in het schriftje dingen op over de mensen waar ze mee chat. En dat vind ik nu zo heerlijk SoMe-modern: schrijven in een schriftje. Maar, ik moet eerlijk zeggen, het werk wel!
De chatapplicaties werden geavanceerder. MSN deed zijn intrede. En van zuiver vrijetijdsgebruik werd het contact via de chat ook steeds meer "niet-privé". Ik herinner me nog dat ik een jaar of vijf geleden een computerpracticum gaf. Een studente had MSN open staan. Ik maakte daar een opmerking over en toen kreeg ik als reactie: "Ja maar ik werk samen met x, zij zit thuis te werken aan onze opdracht en via MSN overleggen we met elkaar". Oops. Ik voelde me even heel erg oud. MSN-en over de studie...
Chatten doe ik nog steeds, zei het minder dan pak hem beet tien jaar geleden. En soms kom ik op bijvoorbeeld MSN nog eens iemand tegen waarvan ik, en hij of zij, denkt: wie is dat nu. Want de optie om notities op te slaan... die heb ik nooit gebruikt. Daarvoor is chatten voor mij altijd een te vluchtig medium geweest. Chatten, dat doe je voor een paar avonden, om iemand te leren kennen die je niet kent, en die je eigenlijk ook niet verder wilt leren kennen. Want om iemand echt te leren kennen, dan ga je de kroeg wel in (of sinds we kinderen hebben: samen met de kinderen naar de dierentuin). En dus ben ik de meeste chatcontacten al lang vergeten, zelfs die contacten waarmee ik soms avonden heb gechat over het leven, het werk, de toekomst van de aarde, het feit dat tijd niet bestaat, computers, kinderen en zelfs de liefde. Maar de contacten waren altijd vluchtig en verdwenen met de snelheid waarmee ze kwamen. Soms waren het er veel, gingen verhalen en beelden door elkaar lopen, vertelde ik drie keer hetzelfde verhaal en las ik even vaak hetzelfde.
Mieke heeft dat chatten heel lang overgeslagen. Maar sinds een paar maanden is zij volop bezig. Modern chatten, zou je zeggen. Maar Mieke heeft een hele handige truc bedacht: een schriftje. En tijdens het chatten schrijft ze in het schriftje dingen op over de mensen waar ze mee chat. En dat vind ik nu zo heerlijk SoMe-modern: schrijven in een schriftje. Maar, ik moet eerlijk zeggen, het werk wel!
maandag 20 december 2010
De identiteit van een zoutstrooier
Hoewel morgen de winter pas officieel begint, is het zout al op. Tenminste, in Overbetuwe. Dat las ik in elk geval vrijdagavond al op Twitter. Mijn broer heeft er meteen maar een Twittercampagne van gemaakt, en wie zoekt op #zoutloos ziet zijn (en ook mijn) verbazing over het Overbetuuwse zouttekort. Alsof de gemeente een massacampagne tegen hoge bloeddruk begonnen is, maar oorzaak en gevolg volkomen verkeerd heeft ingeschat. Want zouttekort bij dit weer leidt tot stress bij een ieder die de straat op moet, en daarmee eerder tot een hogere dan een lagere bloeddruk. Waarmee de relatie tussen zoutgebruik en bloeddruk aan een nieuwe medisch onderzoek onderworpen moet worden.
De vraag is natuurlijk hoe dit kan, het zouttekort nog voor de winter begint. En dat na de ervaringen van vorig jaar. Volgens mij is het antwoord redelijk eenvoudig. Want voor het eerst in mijn leven zie ik in zowat elke winkel die ik binnenkom emmers met "strooizout" staan. Waar we vroeger nog wel eens gewoon volkomen zinloos een bus keukenzout over ons stoepje strooiden, kunnen we tegenwoordig strooizout in emmers van 7,5 kg kopen.
Nou vroeg ik me af hoeveel zout je eigenlijk nodig hebt. Enig gegoogle levert cijfers op van 10-20 gram zout per m2. Ik weet echter niet zeker of ik dit goed heb (de daadwerkelijk geïnteresseerde lezer moet maar eens hier beginnen), maar als dit zo is dan strooi je met een emmer van 7,5 kg toch al snel 375-750 m2. Dat is een flinke stoep.
Het is dus glashelder waar het zouttekort vandaan komt. Strooizout wordt sinds vorig jaar aan particulieren verkocht in emmers die genoeg zijn voor een hele straat, maar gebruikt worden voor een enkel tuinpad. Het emmertje dat ik bij de gemiddelde doe-het-zelver kan kopen, is genoeg om mijn hele straat te strooien. En dan ontstaat er vanzelf een zouttekort. De reden van deze verkooptruc is natuurlijk duidelijk. De argeloze particulier wil best een paar euro betalen voor een emmertje waar een strooiende gemeente niet meer dan een paar dubbeltjes over heeft. En zo rinkelt de kassa van de zoutindustrie.
Mijn broer ergert zich, terecht, aan de gemeente waar de provisorische schaatsbaan in het centrum het minst gladde deel van het dorp is (als ik althans mijn vrouw mag geloven die vandaag als EHBO-er geen botbreuken op de schaatsbaan heeft geconstateerd, dus zo glad zal het daar wel niet zijn). Terwijl de oplossing zo eenvoudig is. Laat iedereen zijn teveel aan zout (van zo'n emmer toch gauw 80 %) inleveren en elke weg kan morgen nog gestrooid worden.
De vraag is natuurlijk hoe dit kan, het zouttekort nog voor de winter begint. En dat na de ervaringen van vorig jaar. Volgens mij is het antwoord redelijk eenvoudig. Want voor het eerst in mijn leven zie ik in zowat elke winkel die ik binnenkom emmers met "strooizout" staan. Waar we vroeger nog wel eens gewoon volkomen zinloos een bus keukenzout over ons stoepje strooiden, kunnen we tegenwoordig strooizout in emmers van 7,5 kg kopen.
Nou vroeg ik me af hoeveel zout je eigenlijk nodig hebt. Enig gegoogle levert cijfers op van 10-20 gram zout per m2. Ik weet echter niet zeker of ik dit goed heb (de daadwerkelijk geïnteresseerde lezer moet maar eens hier beginnen), maar als dit zo is dan strooi je met een emmer van 7,5 kg toch al snel 375-750 m2. Dat is een flinke stoep.
Het is dus glashelder waar het zouttekort vandaan komt. Strooizout wordt sinds vorig jaar aan particulieren verkocht in emmers die genoeg zijn voor een hele straat, maar gebruikt worden voor een enkel tuinpad. Het emmertje dat ik bij de gemiddelde doe-het-zelver kan kopen, is genoeg om mijn hele straat te strooien. En dan ontstaat er vanzelf een zouttekort. De reden van deze verkooptruc is natuurlijk duidelijk. De argeloze particulier wil best een paar euro betalen voor een emmertje waar een strooiende gemeente niet meer dan een paar dubbeltjes over heeft. En zo rinkelt de kassa van de zoutindustrie.
Mijn broer ergert zich, terecht, aan de gemeente waar de provisorische schaatsbaan in het centrum het minst gladde deel van het dorp is (als ik althans mijn vrouw mag geloven die vandaag als EHBO-er geen botbreuken op de schaatsbaan heeft geconstateerd, dus zo glad zal het daar wel niet zijn). Terwijl de oplossing zo eenvoudig is. Laat iedereen zijn teveel aan zout (van zo'n emmer toch gauw 80 %) inleveren en elke weg kan morgen nog gestrooid worden.
Abonneren op:
Posts (Atom)