Translate

zondag 24 februari 2013

Waarom sociale media in het onderwijs?

Korte intro

Prezi

Maatschappelijke ontwikkelingen

De snelle opkomst van internet en de toenemende digitalisering heeft ervoor gezorgd dat de manier waarop wij communiceren, informatie uitwisselen en zaken met elkaar doen geheel anders verloopt dan tien jaar terug. Kon een organisatie het zich in 2000 nog veroorloven om geen website en geen e-mailadres te hebben, vandaag de dag loop je als individu al achter als je geen LinkedIn-profiel hebt. Actief deelnemen aan nieuwe media als Facebook en Twitter wordt steeds meer usance. De afgelopen tien jaar heeft ook laten zien dat we nieuwe ontwikkelingen veel sneller accepteren en implementeren dan we vooraf hadden gedacht.

Maar er is meer. Ook ons denken over de mens, over de ratio, over werken, over organiseren en over leiderschap en over verdienmodellen bijvoorbeeld, zijn aan snelle verandering onderhevig. In dit hoofdstuk zetten we allereerst een aantal veranderingen op een rij.

De mens


Binnen de samenleving zijn er in toenemende mate tweedelingen te ontdekken, die langs verschillende lijnen lopen. Een duidelijke tweedeling is zichtbaar tussen de opeenvolgende generaties: de babyboomgeneratie, generatie X, de pragmatische generatie, generatie Y en generatie Z. Deze generaties verschillen sterk in hun opvattingen over werk.

Aad Bontekoning in Het generatieraadsel: ‘Helaas remmen oudere generaties in veel bedrijven nieuwe generaties in hun collectieve ontwikkeling. Iedere volgende generatie is hoger opgeleid en slimmer dan de vorige. Zo wordt die kostbare meerwaarde vlot teniet gedaan.’1 Dit geldt ook voor veel accountantskantoren waar oudere partners veel jongeren afremmen in hun ambitie, in plaats van deze te stimuleren.

De babyboomgeneratie werd geboren in de periode 1941-1955. Deze generatie democratiseerde het bedrijfsleven, bouwde het poldermodel en was sterk gericht op (her)structureren. Een flink deel van deze generatie overweegt nu om langer flexibel zinvol door te werken. Deze mensen lijken een goede klik te hebben met de jongeren van Generatie Y.

Generatie X (Generatie Nix) is geboren na de babyboomgeneratie, tussen 1956 en 1985. Over het algemeen is deze generatie praktisch ingesteld, zelfredzaam, relativerend en met een no-nonsense mentaliteit. De mensen zijn hoger opgeleid en hadden betere banen dan de leden van de babyboomgeneratie in dezelfde periode van hun leven. Als leiders zijn ze vooral gericht op samen doen, toegevoegde waarde, duurzame processen en het constructief benutten van de toenemende diversiteit.

De pragmatische generatie is geboren in de periode 1971-1981, veelal de kinderen van de babyboomgeneratie. In organisaties is deze generatie vooral gericht op het versnellen van leer- en besluitvormingsprocessen, het bouwen van (kennis)netwerken en het informaliseren. Tot 2010 voelt de pragmatische generatie zich in veel bedrijven nogal geremd door de oudere generaties. Als nieuwe generatie “medioren” - nog jong maar met al enige ervaring - lijken ze nu te willen doorpakken, ze zijn de trage besluitvorming en het trage leren zat.

Generatie Y is geboren in de periode 1982-2001 en is de opvolger van Generatie X. Deze generatie wil flexibel werken in sfeervolle omgevingen waar ze zichzelf kan zijn en waar ze zich authentiek kan ontwikkelen. Ze willen meteen meedoen en toegevoegde waarde leveren, bijvoorbeeld met de inzet van sociale media. Ze zien kansen in de markt, anticiperen op behoeften van klanten en gaan risico’s aan. Bovendien zijn ze initiatiefrijk, besluitvaardig en goed op de hoogte van maatschappelijke, politieke en economische ontwikkelingen, en kunnen deze kennis effectief benutten voor de eigen functie of organisatie.

Generatie Z is geboren tussen 1992 en 2010. In 2020 is deze groep tussen de 10 en de 28 jaar oud en zijn de eerste leden van deze generatie de werkvloer opgestroomd. Generatie Z heeft een groot vertrouwen in de toekomst. Deze generatie groeit op in een 24/7-informatiemaatschappij.
Ze hebben een korte aandachtsboog, vervelen zich snel en zappen door het leven. Dit leidt er ook toe dat ze razendsnel informatie kunnen vinden en filteren. Al betekent dat soms ook dat informatie oppervlakkig wordt verwerkt.

Niet alleen tussen generaties is spraken van een tweedeling. Een tweedeling zien we ook ontstaan tussen de mensen die het tempo van de veranderingen wel en niet bij kunnen houden. Hoewel hier ook sprake lijkt van een generatiekloof, is deze tweedeling niet leeftijdsafhankelijk. Deze tweedeling is vooral van belang omdat door de ontwikkeling van bijvoorbeeld web 1.0 naar web 3.0 zowel de hoeveelheid informatie als de hoeveelheid semantische connecties toeneemt.

Werken, organiseren en leiderschap


Op de arbeidsmarkt is een belangrijke ontwikkeling gaande, die wel wordt aangeduid met Het Nieuwe Werken (HNW). Dit is een visie op inrichting en bestuur van het kenniswerk, waarbij recente ontwikkelingen in de informatietechnologie als aanjager gelden. Het gaat om vernieuwing van de fysieke werkplek, de organisatiestructuur en -cultuur, de managementstijl en niet te vergeten de mentaliteit van de kenniswerker en zijn manager.

Het Nieuwe Werken is een verzamelnaam van diverse manieren van slimmer, efficiënter en effectiever werken. Niet alleen door nieuwe vormen van samenwerking, maar ook nieuwe manieren van leidinggeven: minder hiërarchie, meer eigen verantwoordelijkheid, meer delegeren en meer overlaten aan eigen creativiteit en oplossingsgerichtheid.2

Bij Het Nieuwe Werken speelt toepassing van web 2.0 een grote rol. Is bij web 1.0 informatieverspreiding vooral eenrichtingsverkeer, bij web 2.0 staat het delen van informatie centraal. Internetgebruikers plaatsen zelf informatie om te delen met anderen. Het web wordt interactief en meer en meer ingezet om samen te werken.

Sociale netwerken, fysiek zowel als online, worden steeds belangrijker in onze samenleving. Deze netwerken vormen in toenemende mate de bron voor ideeën en kennis. Waardecreatie voor producten en diensten vindt volgens Ronald van den Hoff, in de toekomst hoofdzakelijk binnen deze netwerken plaats.3 Waarde wordt tussen individuen en niet in complexe ketens gecreëerd; het organiseren gebeurt in de toekomst zonder organisaties.4

Nieuwe verdienmodellen


Anderson, die eerder furore maakte met ‘the long tail’ heeft een nieuwe dimensie gegeven aan het begrip ‘gratis’. In zijn boek Free beschrijft hij hoe het nieuwe gratis de markt radicaal verandert.  Anderson geeft aan dat gratis in de vorige eeuw vooral een effectieve marketingmethode was,  maar in de eenentwintigste eeuw is het een totaal nieuw economisch model. Dat komt omdat de kosten van goederen en diensten tot bijna nul te reduceren zijn. Dat deze kosten zo laag zijn, heeft alles te maken met de toenemende digitalisering. Daarbij geeft Anderson aan dat gratis daadwerkelijk betekent: vrij van kosten. 
Anderson onderscheidt vier soorten gratis (zie schema).

Gratismodel Anderson

Gratismodel Wat is gratis? Gratis voor wie?
Directe kruissubsidies Elk product dat met zich meebrengt dat je voor iets anders betaalt. Iedereen die bereid is om uiteindelijk op een of andere manier te betalen. Bijvoorbeeld twee halen, een betalen.
De driepartijenmarkt Inhoud, diensten, software, etc. Iedereen. Een derde partij, bijvoorbeeld adverteerders, betaalt. Bijvoorbeeld Facebook
Freemium Alles waar een betaalde versie tegen over staat. Gewone gebruikers. Geavanceerde gebruikers betalen. Bijvoorbeeld LinkedIn, veel spelletjesapps als Wordfeud.
Non-monetaire markten Alles wat mensen willen weggeven zonder dat ze een betaling verwachten. Iedereen. Bv gratis boekhouden kan data opleveren voor benchmarking.

Uiteraard komen ook combinaties voor: Spotify is gratis, maar dan wel met reclame, voor gewone gebruikers, terwijl premium gebruikers betalen voor een onbeperkt abonnement zonder reclame.

Ook andere ontwikkelingen zijn van belang. Zo worden steeds meer producten en diensten ontwikkeld middels co-creatie, waarin producten en dienstverleners samen met hun klanten producten en diensten ontwikkelen. De mogelijkheden die het internet biedt, spelen hierbij vaak een grote rol. Een bekend voorbeeld is lego.

Web 3.0 en big data


De interactiviteit van web 2.0 ontwikkelt zich verder in web 3.0. Bij web 3.0 zijn internettoepassingen met elkaar gelinkt en in elkaar geïntegreerd. Een voorbeeld is het delen van de muziek die je op Spotify luistert op Facebook.
Web 3.0 is gerelateerd aan het semantisch web. Het semantisch web legt verbanden tussen media als teksten, foto's, video's en audio, waardoor nieuwe inzichten kunnen ontstaan. Sommige zoekmachines maken hier al gebruik van, zoals http://www.wolframalpha.com/

Big data houdt in dat er steeds meer gegevens komen en zijn, niet alleen van bedrijfsapplicaties maar ook en vooral ongestructureerde data van social media. Het probleem daarbij is om bruikbare informatie te vinden tussen de bergen aan data, deze data toegankelijk te houden en goed te analyseren.

Data afzonderlijk bieden beperkte mogelijkheden, maar alle informatie bij elkaar kan een compleet beeld opleveren van wie iemand is, wat hij doet en wat hij belangrijk vindt. Een nieuwe generatie wiskundigen gebruikt big data nu al om online gedrag te ontcijferen. Baker noemt deze wiskundigen Datameesters. Datameesters kunnen door inzicht in big data het leven gemakkelijker en veiliger maken. Maar er is ook een keerzijde: inzicht in big data biedt de mogelijkheid tot veel macht en invloed.5

Een laatste ontwikkeling die in dit kader niet onbenoemd kan blijven, is de trend die aan te duiden is met “van informatietekort naar aandachttekort”. Tot kort geleden was er minder informatie beschikbaar en vooral toegankelijk dan er behoefte aan informatie was. Tegenwoordig is er zoveel informatie dat het niet meer mogelijk is om alles op te nemen. De ontvanger wordt steeds meer bepalend in het communicatieproces. Hij bepaalt wat hij wel en niet leest.
Sociale media leveren hieraan natuurlijk een belangrijke bijdragen. Met honderden Facebookvrienden, tweeps en andere digitale contacten is het welhaast onmogelijk om alles te lezen. Bepaalde sociale media spelen hier op in, zoals Facebook. Als gebruiker kun je dit deels ook zelf instellen. Als zender moet je je bewust zijn van de kans dat iemand ziet wat je berichten wil, niet alleen op de website, maar zeker ook op de mobiele telefoon. Het maken van een Facebookgroep bijvoorbeeld biedt dan vele betere mogelijkheden dan het zomaar plaatsen van een statusupdate.

De uitdagingen voor het onderwijs



In het “Trendrapport mbo. Technologieën voor de toekomst6 van Stichting Kennisnet en saMBO-ICT wordt een viertal belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen onderscheiden:
  • De netwerksamenleving: Doordat het steeds makkelijker wordt om samen te werken zonder op dezelfde plek te zitten, verandert de sociale structuur van de samenleving. Functies en processen worden binnen netwerken georganiseerd, waarmee de netwerksamenleving definitief haar intrede heeft gedaan.
  • Persoonlijk en op maat: De economie verschuift naar een vraageconomie, waarin de vraag van de klant centraal staat. De klant kan zijn eigen product samenstellen en door persoonlijke profielen weten bedrijven in toenemende mate wat klanten willen. Producten en diensten worden steeds meer persoonlijk en op maat.
  • Nieuwe organsiatie- en verdienmodellen: Veel organisaties herbezinnen zich op hun rol en toegevoegde waarde. Er ontstaan steeds meer producten en diensten die “gratis” zijn of lijken.
  • Technologisering van het leven: Nieuws en achtergronden komen niet meer binnen via krant of televisie. Gebruiksvoorwerpen worden in toenemende mate van chips met informatie voorzien, die met elkaar en het internet communiceren.
Op basis van deze vier ontwikkelingen, onderscheiden de auteurs vier uitdagingen voor het mbo:

  • Het organiseerbaar houden van het mbo: het onderwijs moet flexibel en betaalbaar zijn, moet basiskennis en praktijk met elkaar verbinden.
  • Optimaliseren van de samenwerking: de onderwijsinstelling kan de spin in het web zijn bij het opleiden, dat teamwork vraagt van de instelling, het bedrijfsleven en verschillende partners.
  • De student als volwassen internetconsument: de uitdaging voor de onderwijsinstellingen om een passend antwoord te vinden op de wensen van de veeleisende internetconsument.
  • Meer met minder: de uitdaging om de ambities te realiseren met beperkte middelen.

Deze vier uitdagingen zijn er niet alleen voor het mbo. Elke beroepsopleiding staat er voor. In wat mindere mate, met name bij de eerste twee uitdagingen, geldt dit ook voor het algemeen vormend onderwijs.

Bij alle vier de uitdagingen zien de auteurs een belangrijke rol weggelegd voor ICT. Verschillende technologieën bieden volgens hen ondersteuning en ontsluiten nieuwe oplossingen. Zij noemen hierbij:

  • Cloud computing, dat het mogelijk maakt om de technische infrastructuur binnen de school eenvoudiger en daarmee goedkoper te maken;
  • Sociale media, die het communiceren en samenwerken in groepen faciliteren en die het mogelijk maken om makkelijker met een diversiteit aan groepen (zoals ouders, bedrijfsleven) te communiceren;
  • Verrijkte content, dat het mogelijk maakt om leren een interactieve en multimediale ervaring te laten worden;
  • Augmented reality: dat het mogelijk maakt om een directe koppeling te maken tussen onderwijsmaterialen en de praktijk.
  • Semantisch web : Door semantische webtechnologie kunnen zoeksystemen materiaal uit verschillende databases herkennen en combineren. 
  • Learning analytics: Door learning analytics kan onderwijs op maat erg vorm krijgen, omdat docenten niet alleen de informatie krijgen om te bepalen waar in de leerroute een student zich bevindt, maar ook concrete adviezen over vervolgactiviteiten.

Sociale media in het onderwijs



Sociale media maken het mogelijk dat we altijd en overal in contact zijn met anderen. Onafhankelijk van tijd en plaats kunnen we informatie en mensen vinden, kunnen we ons met elkaar verbinden, kunnen we samenwerken en kunnen we de resultaten de het werk presenteren op zodanige wijze dat iedereen, of een specifiek uitgekozen groep, deze kunnen zien.
Hoewel sociale media een trend van de laatste jaren lijken te zijn, bestaan ze al bijna 35 jaar. Sociale media zijn daarmee weliswaar niet ouder dan het internet, maar de ontwikkeling van sociale media zijn wel hand in hand gegaan met de ontwikkeling van het internet.
Van sociale media zijn verschillende definities in omloop. In de kern lijken ze op elkaar. Zo schrijft de Nederlandse wikipedia: Sociale media (de Engelse term social media is ook in het Nederlands gangbaar) is een verzamelbegrip voor online platformen waar de gebruikers, zonder of met minimale tussenkomst van een professionele redactie, de inhoud verzorgen. Hoofdkenmerken zijn interactie en dialoog tussen de gebruikers onderling.

Kaplan en Haenlein definiëren sociale media als "een groep internetapplicaties die gebruikmaken van de ideologie en de technologie van Web 2.0 en de creatieve uitwisseling van User Generated Content". Deze definitie verschuift overigens het beginpunt van sociale media een stuk verder naar het heden. Web 2.0 is het "tweede generatie" internet, waarbij gebruikers niet meer uitsluitend internetpagina's lezen zoals ze de televisie gebruikten, maar zelf actief aan de slag gaan met het uploaden en delen van informatie. Deze omslag wordt veelal aan het begin van deze eeuw geplaatst.  Helemaal correct is dat niet, want ook voor 2000 waren al individuen actief bezig met het uploaden en delen. Het was echter technisch vaak nog een hele klus om dat voor elkaar te krijgen. Het is eerder zo dat technologieën achter web 2.0 het voor de leek mogelijk maakte om zelf actief als zender te gaan optreden.

Sociale media kunnen op verschillende manieren in het onderwijs worden ingezet. Deze inzet kan zowel ondersteunend zijn aan het primaire proces als aan de ondersteunende processen, van marketing tot het bekendmaken van roosterwijzigingen en cijfers. Sociale media kunnen ingezet worden door een individuele docent maar ook school- of opleidingsbreed.

In het artikel “Over de didaktiek van social media in de dagelijkse lespraktijk” stelt Wilfred Rubens dat sociale media met name een toegevoegde waarde hebben voor scholen en onderwijsgevenden die didactische concepten gebruiken waarin de leerling en het leerproces centraal staan, die activerende werkvormen gebruiken en waarin interactie en communicatie een belangrijke rol spelen.

Het gebruik van sociale media kan de autonomie ontrent het inrichten van de leeromgeving meer bij leerkracht en leerling neerleggen. Dit kan de motivatie bevorderen. Daarnaast stelt Rubens dat het werken met sociale media de ontwikkeling van de zogenaamde 21st Century skills kan bevorderen. Voorbeelden zijn: het kunnen denken in patronen, informatievaardigheden, creativiteit, kunnen samenwerken en problemen kunnen oplossen.

Vanuit het oogpunt van digitale didactiek, zit volgens Rubens de kracht van sociale media met name in:
  • Crëren van een krachtige, afwisselende leeromgeving;
  • Doorbreken van de muren van de school;
  • Leerlingen in staat stellen kennis te creëren;
  • Publiceren voor een breed publiek;
  • Denk- en samenwerkingsprocessen transparant te maken
Met sociale media kan in het onderwijsveel, heel veel. Maar het is wel van belang dat er vooraf en tijdens goed wordt nagedacht over het gebruik. Kennis van het gebruikte platform bij docent en student is hierbij van belang. een docent die het huiswerk op FAcebook zet, moet niet teleurgesteld zijn als een dag later blijkt dat studenten het huiswerk niet alleen niet gemaakt hebben, maar de gehele Facebookpost zelfs hebben gemist.

1 Aart C. Bontekoning, Het generatieraadsel. De Vrije Uitgevers (2010).

2 Dik Bijl, Het nieuwe werken. Op weg naar een productieve kenniseconomie. Academic Service (2007).

3 Ronald van den Hoff, Society 3.0. A Smart, Simple, Sustainable & Sharing Society. Lindonk & De Bres (2011).

4 Ronald van den Hoff, Society 3.0. A Smart, Simple, Sustainable & Sharing Society. Lindonk & De Bres (2011); Frank Kwakman en Cris Zomerdijk, De ondernemende professional. Waarde creëren in een veranderende markt. Van Duuren Management (2012).

5 Stephen Baker, De Datameesters. Maven Publishing (2011).

6 Stephanie Ottenheijm, Wilfred Rubens en Pieter Vorstenbosch, Trendrapport mbo. Technologieën van de toekomst. (2011).

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen